Achmed zijn instinct vertelde hem dat er iets niet in de haak was met deze gerugzakte man, die een stadsplattegond had uitgevouwen, met de vraag waar het Centraal Station was te vinden. Maar de verwarring die had toegeslagen op het binnenhof zorgde ervoor dat hij niet volledig op zijn hoede was. Toen Achmed, met zijn wijsvinger op de kaart begon uit te leggen waar de man heen moest lopen, zag hij dus niet hoe deze een blik wierp over de chaos op het binnenhof, en hij zag niet hoe de ogen van de toerist Petra en Ed volgden, die druk pratend het binnenhof verlieten, en in een door een agent opengehouden deur verdwenen. En toen de man met de rugzak terug wandelde naar de poort van het hof, bleef bij Achmed niets anders hangen dan het gevoel dat er iets niet in de haak was. Een onbehagen, dat als een oude houtworm traag aan zijn hersenstam knaagde.

Petra gristte op de gang de indringend ratelende telefoon uit haar tas, en drukte de beller weg. ´Nu niet.´ gromde ze. Ed keek haar aan. Petra keek hem aan. Ze schudde haar hoofd en verzuchtte `Wie zou het op mij gemunt hebben?´

´Wie ze ook zijn´, zei Ed, ´ze hebben het niet op jouw gemunt. Maar op de positie die je bekleed.´

Ze vervolgden hun weg naar de vergaderruimte. ´Je bedoeld dat ik het niet persoonlijk moet nemen.´ haar stem trilde ´maar dat valt niet mee als ze op je schieten.´ Ed legde een hand op haar schouder. Petra versnelde haar pas, en Ed´s hand viel terug. Hij wreef ongemakkelijk met die hand onder zijn neus en om zijn mond. Hij voelde zijn baardstoppels. Het was een lange dag. ´Ben je er klaar voor?´ vroeg Ed. Petra schoof zwijgend de band van haar tas hoger op haar schouder, en stapte gedecideerd de hoek om, richting de vergaderzaal. ´Dat is een ja.´ mompelde Ed, en liep haar achterna.

Hij stapte de vergaderzaal in, waar hij Petra plaats zag nemen naast Cornelis Wittebrood, de minister van binnenlandse zaken, die namens het kabinet deze sessie had belegd. De invite sprak over informatie over de laatste stand van zaken delen. Ed vond een plaatsje langs de zijkant van de kamer, tussen de secretaris van Cornelis en een wat bonkige defensie adviseur van middelbare leeftijd. Hij knikte de adviseur toe. Ed kon niet op zijn naam komen, terwijl deze zeker al zo lang in Den Haag rond liep als Ed zelf. Hij klemde zichzelf tussen die twee in, tot hij met zijn rug tegen de dunne systeemwand aan kon leunen. Een staanplaats. Een vlieg op de muur, dacht hij bij zichzelf.

De stem van de minister president kwam uit een driehoekig kastje dat midden op de tafel stond. ´Heeft Caldwell al ingebeld?´ vroeg hij.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten