‘Plan?’ vroeg de chauffeur, een ferme draai aan het stuur gevend in een wilde inhaalmanoevre, ‘plan is een groot woord. Maar ik dacht je af te zetten aan de Jan Hendrikkade.´ Petra klauterde overeind en schreeeuwde ´Wat! Me af te zetten…´ De chauffeur pakte haar bij een schouder en duwde haar weer voorover.´Ja, bij het politiebureau daar.´ verduidelijkte hij. Petra´s stem klonk, nu ze weer voorovergebogen zat, wat gemoffeld, maar was luid genoeg om verstaanbaar te blijven. ´Daar kan je niet parkeren, idioot!´ De chauffeur zocht met een blik over zijn schouder naar zijn achtervolgers, maar de versplinterde achterruit ontnam hem het zicht, en in een flits dacht hij aan de parkeergarage tegenover het bureau, dat met slagbomen was afgegrendeld. ´Daar…´, en weer draaide hij aan het stuur, om terug in de rechterrijbaan te geraken, ´kon je wel eens gelijk in hebben…´. Hij dacht weer een schot te horen. Een bus toeterde luid achter hen. ´Binnenhof!´ riep Petra, met haar hoofd nog steeds tussen haar knieen.
Dat was niet heel veel verder dan het politiebureau, maar de enige mogelijkheid die de lange, brede straat die hij nu afreed hem openliet was langs een smalle winkelstraat met veel horecagelegenheden. De chauffeur gromde. ´Okee dan. Maar dit word lastig...´. Zijn gehavende mercedes schoot langs het politiebureau. Hij zag in de achteruitkijkspiegel aan zijn linkerkant zwaailichten aanspringen. ´Mooi.´ zei hij, en hij stuurde zijn auto een haakse bocht in. De achterwielen gleden kermend over het wegdek, een vaalgrijze rookwolk achterlatend. Hij reed door een rood licht, en sloeg linksaf, met alle macht een voetganger ontwijkend, die in doodsangst een katachtige sprong maakte naar de stoep waar hij nietsvermoedend af was gestapt. De chauffeur gaf gas, haalde met een relaxed ronkende zescilinder onder de motorkap drie auto’s in, die met knipperende lichten en getoeter hun misnoegen kenbaar maakten over zijn rijgedrag, en hij sloeg rechtsaf de zo gevreesde smalle straat in.
Luid toeterend jaagde hij een groep halfdronken jongeren uiteen. Een vuist sloeg tegen een zijraam. Gevloek en gescheld in Haagse tongval mengde zich in de kakafonie. Maar veel sneller dan hij gedacht had zag hij reeds de afzetting voor het binnenhof. Oranjewit gestreepte pilonnen. Mensen in geel fluorescerende kledij en zwaaiend met fluorescerende staven. ´Hou je vast.´ zei hij tegen Petra. Hij crashtte door de afzetting. Hij dacht iemand te raken. Hij vloekte, remde, trok aan zijn stuur, en verloor voor het eerst van zijn leven de controle over zijn auto. De achterkant van de wagen zwaaide uit, alle wielen leken te blokkeren, en met een doffe knal en gerinkel van glas kwam hij tegen een van de zware bloembakken op het binnenplein tot stilstand. Zijn hoofd klapte tegen het zijraam. Terwijl hij, knipperend met zijn ogen, aan zijn hoofd voelde en op zijn handen zocht naar sporen van bloed, zag hij zich vanuit zijn ooghoeken omringd worden door figuren in fluorescerende jacks, die met uitgestrekte armen naar hem wezen. Er klonk luid geschreeuw. Zijn wagen was hondertachtig graden gedraaid. Door zijn voorruit, voorbij kijkend aan het gapende gat dat hij in de afzetting had gereden, zag hij een kleine witte auto voorbij stuiven. Gevolgd door een politieauto, die met zwaailichten en een nerveuze sirene de achtervolging had ingezet. Toen was het alsof er zware gordijnen voor zijn ogen werden geschoven. Het geschreeuw en de paniek om hem heen verwerd tot een verre echo, en er viel een wattige, doffe stilte in zijn hoofd.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten