Ondanks het feit dat het een windstille, wat zwoele avond was, liep er een koude rilling langs Petra’s rug. Ze zag de zware, zwarte zakken op de brancards door een kleine schuifdeur naar binnen gebracht worden. Ze huiverde. De levenloze schaduwen uit de verwrongen treinwagon omringden haar opnieuw. Ze was teveel benaderd door de dood, vandaag. De radeloze woede die zich van haar had meester gemaakt was gericht op die grimmige grijpgraag, die met teveel gretigheid en willekeur met zijn zeis leek te zwaaien. Ze sloot een moment haar ogen, en haalde diep adem. Toen ze opnieuw sprak had haar stem zich teruggeschroefd tot een hese fluistertoon. ‘Hoe weet je dat hij hierbij is?’
Ed stond op uit zijn bureaustoel. Hij wreef in zijn handen. ‘Ik weet het niet zeker. Maar het is waarschijnlijk dat Bruin erbij is.´ Ed wierp een blik op de rug van zijn rechterhand, die hij met gebogen arm voor zich uit hield. De hand trilde oncontroleerbaar. Hij balde de hand tot een vuist, en vervolgde ; ´het autopsiecentrum van Haga wordt gebruikt door de binnenlandse veiligheidsdienst. Slachtoffers van de treinramp, en de overstroming zullen worden overgebracht naar lokale uitvaartcentra, of, in het geval de slachtoffers niet ter plaatse kunnen worden geidentificeerd, naar een van de twee MCH opleidingsziekenhuizen.´ hij hoorde Petra grommen. ´Hoe weet je dat allemaal?´vroeg ze. Ed trok zijn wenkbrauwen op. Hij moest zich inhouden. De aandrang om te vragen waarom Petra zelf niet op de hoogte was van de standaard procedures, die in de Haagse rampenplannen waren opgenomen, was erg groot. ‘Het is mijn vak.’ zei Ed. Zijn mond vertrok. Hij had in zijn oren te verbeten, te kortaf geklonken. Met een schuine blik keek hij naar de telefoon, in ietwat angstige afwachting van Petra´s reactie.
Petra was naar haar auto gelopen, en had de achterklep geopend. Ze trok met haar linkerhand een grote bruine envelop uit een van de twee ambtskoffers die in haar kofferbak stonden. Haar vertrouwde ambtskoffers. Die versleten, verveelde tweeling vol beleidplannen en budgetten. De opengeklapte koffer gaapte haar de famillaire geur van versleten leer tegemoet. ‘Ik zal kijken wat ik kan achterhalen.’ zei ze in de telefoon. Haar stem had zich weer hersteld, hetgeen bijdroeg aan haar zelfverzekerdheid. Ze verbrak de verbinding, en liep terug terug naar de hoofdingang van het Haga ziekenhuis.
Petra liep langs de schuifdeur, waarachter de brancards waren verdwenen. De lichten achter de smalle deur waren weer gedoofd. Het leek alsof de brancards daar nooit naar binnen waren gedragen, het leek alsof ze naar een in onbruik geraakte personeelsingang keek.
Ze liep door naar de hoofdingang, en liep door de draaideur en doelgericht naar de informatiebalie. Daar toonde ze de envelop die, zo vertelde Petra de verbouwereerde, jeugdige portier achter de balie, ‘belangwekkende informatie aangaande de klus die zojuist was binnengedragen voor de dienst doende patholoog anatoom´ bevatte. Ze vertelde daarbij niet dat de envelop een ambtelijke studie naar de financiele vooruitzichten van het streekvervoer in de zuidelijke provincies verborgen hield. Ze blufte zoals ze nog nooit had gebluft. Ze werd, zoals eerder op de dag, niet door rede, maar door adrenaline aangestuurd. Risico's op schandalen en kamervragen kwamen niet eens in haar op.
De portier pleegde een telefoontje. Daarna viel een stilte. Petra stak de envelop onder haar arm, en vroeg de portier naar de stand van zaken in het ziekenhuis, gezien de overstroming. De portier haalde kort zijn schouders op, en hield zijn handen open gehouden naar Petra. ´Mijn dienst is net begonnen. Ik heb geen idee. Gezien de drukte hier… ´, de portier wuifde met zijn rechterhand langs de informatiebalie, ´.. zal het wel meevallen.´
Achter haar klonk een iele beltoon, die de aankomst van een lift aankondigde. Petra keek om. Een millitair stapte uit de lift. De envelop gleed onder haar arm vandaan, viel schuisnweg op de gladde vloer, en schoof tegen de informatiebalie aan. ´Caldwell?´ vroeg ze. Ze voelde dat haar mond bleef openstaan.
Maar ze vroeg naar de bekende weg. Petra’s brein had nu de naam met de man die zij eerder had herkend, toen de brancards werden binnengedragen, verbonden. Caldwell had zijn zwarte overjas ergens achtergelaten, en stond voor haar in zijn uniform. Zo herkende ze de adviseur van Bruin onmiddelijk. Johnsie, werd hij genoemd, maar alleen in de wandelgangen, bij koffie-automaten, in onderonsjes en op onderling uitgewisselde Post-It memo’s.
Johnsie. Nooit in zijn bijzijn, werd hij zo genoemd. De volledige naam van de rijzige millitair was John C. Caldwell. De John C. werd in het, op angelsaksiche wjze uitgesproken, Nederlands tot Johnsie teruggebracht.
John C. Caldwell leidde het onderzoek. In Petra’s hoofd vielen een paar puzzelstukjes samen. Bruin was inderdaad een slachtoffer. Vermoedelijk het slachtoffer van een aanslag.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten