Dit is hoe het Stefan verging.

Hij vond zichzelf terug in een nieuwe omgeving. Wat ontbrak was de regelmaat. De deining van de wagons, en het regelmatig kloppen van de railskoppelingen onder de stalen wielen. Het duurde even voor zijn brein begreep wat zijn ogen zagen. Zijn wereld lag op zijn kop. En pas toen werd hij de pijn gewaar. Een allesomvattende pijn. Hij lag in een universum van pijn.

Toen besefte hij pas dat hij adem tekort kwam, omdat het laatste restje lucht in zijn longen was opgebruikt in een instinctieve, niet te weerhouden oerkreet. Als de eerste uithaal die uit hem geperst werd toen hij nog een baby was, en de vruchtwaterwarmte werd vervangen door kil neonlicht en de uit lange gangen aangewaaide ziekenhuislucht.

Hij zwaaide wild met zijn linkerarm en probeerde overeind te komen, en de pijn stak zo wild in zijn schouder dat hij lichtflitsen voor zijn ogen zag. Zijn rechterarm zat klem. Zijn hart bonsde in zijn hoofd. Zijn linkerhand greep naar de rechterschouder, en verdween onder water. Een moment dacht hij dat zijn hand verdween in een open, bloederige wond. Zijn hart stond stil. Maar toen zijn zenuwbanen zijn grote hersenen ervan hadden overtuigd dat zijn hand niet in warm, kleverig bloed, meer in koud water was verdwenen, was de kortsluiting van paniek voor even verdwenen uit zijn hoofd. Hij kon zijn hoofd net voldoende draaien om te zien hoe zijn arm bekneld werd. Hij werd omgeven door schaduwen van lichamen, door uiteengereten metaal, glassplinters en chaos. Hij lag met zijn rug op wat het plafond van de wagon was geweest, met de ingezakte vloer boven hem. Een set stoelen, die aan het naar binnen gevouwen onderstel van de trein was bevestigd, was zover naar beneden gebogen, dat het zijn bovenarm tegen de metalen panelen van het plafond had gepind. En op dat moment besefte hij dat zijn brein zijn rechterhand niet kon bereiken.

Hij probeerde een vuist te ballen, maar zijn onderarm, en zijn hand, zijn vingers, waren verdwenen achter het ondoordringbare gordijn van pijn. Er kwam geen signaal terug uit die mist. Hij was zijn arm verloren.

Hij was zich niet gewaar van de geluiden die tot hem door waren gedrongen, maar hij werd zich wel gewaar van de plotselinge stilte. Zijn oren waren onder water geraakt. Hij richtte zijn hoofd op. Het water steeg. Zijn linkerhand trok en duw aan de stoelen. Hij zag zijn witte knokkels. Hij schreeuwde opnieuw. Een doodskreet.

Zijn linkerhand ging als uit zichzelf op zoek naar zijn broekzakken. Diep in zijn rechterbroekzak, achter zijn sleutels en bedrijfspas, vonden zijn enig overgebleven duim en wijsvinger zijn zakmes.