Joris stak zijn hoofd door de op een kier geopende keukendeur. “Dek jij de tafel even?”, vroeg hij aan Eline. Hij had een rood hoofd gekregen van het boven het gasstel hangen. Om te kijken of de gamba’s al de gewenste kleur hadden gekregen, en de wokgroenten naar verwachting slinkten en gaarden... “Ik moet weg.” Zei Eline, de telefoon in haar broekzak proppend. Joris fronstte. “Wat? Waar wou je heen?” Eline richtte zich op van de bank, en gaf de telefoon een laatste zetje, en gaf twee klopjes op haar broekzak. “De Koloniën.” Zei ze.
‘De Koloniën’ was de koosnaam in huize Greefhorst voor de verzameling krappe en kale kantoren die huisden in het pand tegenover het torentje waar de Minister President zijn werkkamer had. In die kantoren huisden de fracties van de tweede kamer. Het was de plek om te achterhalen waar Petra zich bevond. Ed was daar. Ed was daar altijd, zo leek het.
Die koosnaam had zijn oorsprong. In vroeger tijden huisden in het pand tegenover het torentje het ministerie van Koloniën. Dat was het ministerie waar de gruwelijke en georganiseerde uitbuiting van volksstammen in verre landen in ambtelijke kaders werd geplaatst. Waar wetten en regels werden verzonnen om dingen die krom waren recht te praten.
Dat waren dingen die door hard werkende patriotten werden gedaan.
Maar patriottisme was inmidels niet meer wat het toen was.
Petra, Eline, Joris, Stefan, Anne Marlies, ze voelden geen enkele vorm van trots voor hoe netjes hun land de uitbuiting van vreemde volkeren toen hadden georganiseerd.
Joris liep de kamer in, en bleef voor Eline staan, zijn handen op zijn heupen. “Wat wou je in Den Haag bereiken? En ..” Joris wees op de televisie. “..hoe wou je er komen?” Joris keek haar vorsend aan. Eline haar ogen waren op het beeldscherm gericht. “Laat maar.” Zei ze. Joris volgde haar blik, en zag de fractievoorzitster van de grootste kamerfractie van het land tot haar enkels in het water op een camera aflopen. Een schijnbaar levenloos lichaam meetorsend. Eline vloekte. Haar stem brak. Joris en Eline zette zich op de zweedse tweezitter. Joris schroefde het volume van de televisie op. Hij besefte nog niet dat de grote garnalen, knisperend in met knoflook verrijkte olie, hun gewenste kleur inmiddels voorbij waren.
Petra had muziek van Mozart in haar hoofd spelen. Dat was volledig misplaatst, althans dat vond ze zelf. Een veel te uitbundige melodie gezien de omstandigheden.
Dit waren de omstandigheden; ze stond tot haar enkels in koud water, onzichtbare zompige modder zoog aan haar schoenen, en een lijkbleke, tengere jongeman, met één van zijn armen wat amateuristisch afgebonden met de draagband van een laptoptas, lag naar haar idee te sterven in haar armen. Met iedere stap die ze zette was er de angst om weg te glijden of weg te zinken, de angst om te vallen.
Maar ondanks dat had een volledig imaginair kamermuziekensemble zich aan het triomfantelijke eerste deel van het eerste hoornconcert van Mozart gezet.
De imaginaire hoorn zou net invallen voor zijn partij, toen twee ziekenbroeders, die over de vangrail waren gesprongen, het lichaam van Stefan van haar overnamen. Ze wankelde even. Ze bleef voorover gebogen staan. Ze wreef een pluk weerbarstig haar terug achter haar rechteroor. Ze liet daarbij een veeg kleverig bloed op haar voorhoofd achter. Zich niet bewust van de camera, zich niet bewust van de collone van dienstverleners, die met zwaailichten en loeiende sirenes bezit namen van de vluchtstrook, draaide ze zich weer om, en waadde door het stijgende water terug naar de chaos van verwrongen metaal.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten