“Dit is ten oosten van Noordwijk.” Zei de commentaar stem achter de beelden. Eline trok haar hoofd terug van het scherm. “Het verkeer op de provinciale weg langs het spoor is tot stilstand gekomen.”

De helikopterbeelden bleven steken bij de ontspoorde trein, tot de helikopter een brede cirkel maakte, en de camera een zwenking maakte, over de ondergelopen polder. De audio uit de helikopter was tot in de achtergrond weggedrukt. Op de voorgrond van het geluid werd er gefluisterd, kort gehoest, en met papier gerommeld. Een banner onder in beeld sprak over een dijkdoorbraak. Eline hield de telefoon weer aan haar oor. “Ed, over welke dijk hebben ze het?” vroeg Eline. Haar stem was schor, afgeknepen. “Ed?” Maar Ed had de verbinding al verbroken.

Ze richtte zich op. “Joris!” riep ze. Haar man kwam in de deuropening van de keuken staan, hij had een dampende wokpan in zijn handen. Toen hij haar zag, sprakeloos frommelend met de telefoon in haar trillende handen, en met haar bleke gezicht aan het televisiebeeld gekluisterd, schroefde hij zijn wenkbrauwen in een vraagteken omhoog. Zijn blik dwaalde met de hare mee, naar de televisie. “Het rampgebied lijkt zich uit te strekken tot Noordwijkerhout, maar naar verluid is Noordwijk zelf het zwaarst getroffen. Over de ernst van de situatie in Noordwijk, of over slachtoffers is verder nog niets bekend. Wij zoeken contact, maar u zult begrijpen dat het telefoonverkeer danig onder druk staat, in de regio.” Joris draaide zich om, plaaste de pan terug op een snijplank op het aanrecht, liep terug de woonkamer in, en sloot Eline zwijgend in zijn armen. “Ze hebben het over een dijkdoorbraak.” Fluisterde Eline hees in zijn oor. Ze voelde Joris zijn hoofd schudden. “Dat klopt volgens mij niet. Het is duingebied. Waterleidingsduinen.” Joris draaide zich naar de televisie, en sloeg een arm om Eline’s schouder. Hij vervolgde ; “Het klopt allemaal niet. Een doodrustige dag. En het is geen springvloed, zoals in 1953.” Eline keek schuin omhoog, peinzend. “Was dat niet in 1957?” vroeg ze zich hardop af. Joris keek haar glimlached aan. “Nee schat. Het was de eerste februari 1953, met een noordwesterstorm en springvloed.”

Dit soort schoolmeestermomenten deed Eline zich soms erg onvolwassen bij hem voelen. Maar in feite was ze dat ook. Hij was bijna vijftien jaar ouder dan zij.

Hij had een al een vol leven geleid voordat hij Eline had ontmoet. Hij was twintig jaar eerder getrouwd geweest met een Malinese vrouw. Mariama Kouyate. Zij had hem zijn enige zoon, Justin Greefhorst, geschonken, en het was vooral zijn vrouw geweest die hem op weg had geholpen. Goed op weg geholpen. Justin was Simon’s trots.

Simon’s trots studeerde, zonder veel overtuiging, biomedische wetenschappen in het noorden van het land. Simon’s trots dronk meer bier dan Simon ooit goed zou vinden, en Simon’s trots zijn hypothalamus was aan het krimpen, door het roken van een boventallig aantal joints, gedraaid van de door Simon’s trots zelf gekweekte wiet.

Mariama was een sterke vrouw. Dat was een van de redenen dat Joris zo van Mariama hield, en Mariama wist dat.

Dus toen Mariama begon te klagen over haar steeds terugkerende hoofdpijn was het gezwel in haar linkerhersenhelft al zo groot als een mineola. Drie weken later was ze overleden.

Joris had daarop meer oog gekregen voor de wat minder sterke vrouwen. Eline was, zonder twijfel, een wat minder sterke vrouw. Dat was een van de redenen dat Joris zo van Eline hield, en Eline wist dat.

Joris voelde Eline onder zijn arm wegdraaien, en hoorde haar zeggen ; “Ik weet niet eens of Petra het wel weet.” Eline zette zich op de veel te dure tweezitsbank van rood leer en strak zweeds design, en bladerde op haar telefoon naar de naam van de voorzitster van haar partij. Joris liep terug naaar de keuken en zei ; “Ed zal haar toch wel gebeld hebben?” Eline bracht de telefoon bij haar oor. “Ik zal er wel niet doorheen komen. Maar zowel, dan heb ik zowiezo excuses te maken...”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten